Armoede in de wereld veel groter dan gedacht

MO* | Een rapport aan VN-Mensenrechtenraad trekt de wereldwijde armoedecijfers in twijfel. Bedenkelijke meetmethodes stellen evolutie te gunstig voor, zegt rapport. De armoede is veel groter dan meestal wordt aangenomen.

Volgens het rapport is alleen het aantal mensen dat in extreme armoede leeft de afgelopen dertig jaar licht is afgenomen. De realiteit is dat miljarden mensen amper kansen krijgen, talloze vernederingen moeten ondergaan, honger lijden, te arm zijn om toegang te krijgen tot de fundamentele mensenrechten, en vroegtijdig sterven.

Het document is opgesteld door de Australische jurist Philip Alston, tot april de speciale VN-rapporteur voor extreme armoede en mensenrechten. Hij is het niet eens met de conclusies van onderzoek door de Wereldbank, dat een daling van de extreme armoede ziet van 1,89 miljard mensen in 1990 tot 736 miljoen in 2015.

De Verenigde Naties, zegt Alston, vertrekken van de internationale armoedegrens, het referentiepunt dat door de Wereldbank wordt gebruikt, en trekken die door in hun belangrijkste ontwikkelingsprogramma’s, de Millenniumdoelstellingen, met deadline in 2015, en de Duurzame Ontwikkelingsdoelstellingen, met deadline in 2030.

Volgens de methode van de Wereldbank heeft Thailand een armoedecijfer van 0,0 %, terwijl de nationale index een armoedecijfer van 9,9 procent aangeeft.

Het probleem is dat die internationale armoedegrens een gemiddelde van armoedegrenswaarden is die door enkele van de armste landen ter wereld worden gebruikt, waarvan de meeste in Afrika ten zuiden van de Sahara, merkt de rapporteur op.

Het gaat om een absolute maatstaf, met een constante waarde. In tegenstelling tot de armoedegrens die in veel landen wordt gebruikt, is die niet gebaseerd op een directe inschatting van de kosten van essentiële behoeften, benadrukt Alston in het rapport, dat de Mensenrechtenraad bespreekt tijdens zijn bijeenkomst van